Taalbeschouwing Copy

Vanaf groep 4 geef je aandacht aan het taalonderdeel taalbeschouwing. Kinderen leren o.a. de woordsoorten (zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, lidwoord) benoemen, leestekens als punt en vraagteken gebruiken, een zin (langer) maken en woorden in alfabetische volgorde zetten.

Met de taaldoelen aan de slag
Elke taalmethode is anders, dus het is belangrijk om goed te kijken wat jouw methode aanbiedt in groep 4. Stel je gaat de taaldoelen koppelen aan het volgende thema dat zes weken duurt. Normaal zou je zes weken uit de taalmethode gaan werken. De taaldoelen van deze lessen schrijf je op en hier ga je een thema-activiteit bij bedenken.

Heb je al wat meer ervaring dan kun je ook doelen kriskras uit de methode kiezen. Werk je over het thema restaurant, dan kun je natuurlijk veel beter tijdens die periode ook met recepten oefenen. Ervaar je dat kinderen de zelfstandige naamwoorden aan het begin van groep 4 heel lastig vinden, dan kun je hier ook prima een periode mee wachten. Jij als leerkracht kan dit beslissen, zolang je maar eind groep 4 alle doelen hebt aangeboden.

Houd je wel de lijn van de methode aan dan biedt dit als voordeel dat je aan het einde van de periode gewoon de taaltoets kan geven. Alle doelen zijn namelijk die periode ook geoefend. Ga je doelen kris kras uit de methode selecteren, dan moet je op een andere manier de doelen controleren.

DSC_4946
DSC_4952
DSC_4963
DSC_4971
©Willeke Visser

Praktijkvoorbeeld thema De hulpdiensten

Een paar jaar geleden heb ik over het thema ‘De hulpdiensten’ gewerkt. De taaldoelen van groep 4 verwerkte ik zoveel mogelijk in het thema. Ook de kinderen van groep 3 zijn met een aantal van deze taaldoelen aan de slag gegaan.

Het thema duurde zes weken. Ik heb de taalmethode van groep 4 erbij gepakt en de taaldoelen die de komende zes weken aan bod zouden komen opgeschreven. Hier heb ik activiteiten bij bedacht die in het thema passen.

Hieronder het themaverslag, ik heb alle taaldoelen cursief gezet.

Week 1
Voor de lessen begrijpend luisteren gebruikte ik de handleiding van Lijn 3. Deze lessen sluiten aan bij het themaprentenboek ‘De brandweer die te laat kwam’. De klas werd tijdens een startactiviteit in drie groepen verdeeld: politie, brandweer en ambulance. Eerst brainstormden de kinderen in tweetallen over hun onderwerp. Vervolgens werden er drie verschillende woordvelden gemaakt.

De tweede taalles ging over het onderscheid tussen vertel- en vraagzinnen. Bij een praatplaat met een illustratie van een verkeerssituatie schreven de kinderen verschillende zinnen. Ook de kinderen van groep 3 deden hier aan mee.

Instructie geven
Het laatste doel van de eerste week was ‘Een instructie kunnen geven’. Tijdens een kringgesprek praatten de kinderen over de brandveiligheid en de vluchtroute van de school. Waarom is het belangrijk om regelmatig een brandoefening te doen?

Naar aanleiding van dit filmpje gingen de kinderen in gesprek met elkaar. Ze legden aan de ander uit wat de vijf stappen zijn bij het vluchten bij een brand. Welke instructie moet je dan opvolgen?

Week 2

Tijdens de eerste week hebben er diverse startactiviteiten plaatsgevonden en zijn er heel een aantal vragen opgesteld. Tijdens de boekenkring legde ik het verschil uit tussen informatie- en gewone leesboeken. Welk boek heb je nodig als je antwoord wilt krijgen op de vraag ‘Wanneer mag een politie schieten’?

In week 1 hebben de kinderen geoefend met het geven van een instructie. In de eerste taalles van week 2 hebben de kinderen een instructietekst geschreven. Stel je voor dat je aan een jong kind moet uitleggen hoe je moet oversteken, hoe doe je dat dan? De tekst schreven ze op het ‘ik steek veilig over formulier’. Vervolgens mochten ze het toepassen bij de kleuters.

Beleefd en onbeleefd taalgebruik
Het is belangrijk om je in het verkeer netjes te gedragen. Wat zijn de belangrijke regels? Wat doe je als de politie je aanhoudt? We moeten niet alleen tegen de politie vriendelijk zijn, maar ook tegen de mensen om ons heen. De kinderen oefenen met iets beleefd vragen aan elkaar. Daarna hebben de kinderen een werkblad gemaakt waarbij ze zinnen moeten onderstrepen die beleefd of juist onbeleefd waren. Dit werkblad kwam uit de taalmethode van groep 4.

Woordkast maken
Aan het einde van de week hebben de kinderen een woordkast met drie rijen gemaakt. In tweetallen moesten de kinderen zoveel mogelijk vervoersmiddelen bedenken bij ‘zee’, ‘lucht’ en ‘land’. Er kwamen een hoop originele antwoorden naar voren.

De kinderen hebben ook gestemd en geturfd over welk deelonderwerp we het de laatste vier weken gaan hebben. De meeste stemmen gingen naar ‘de politie’.

©juf_ivette

Week 3

Deze week hebben we veel cito’s gehad. Maar we zijn ook gestart met het werken over de politie. Een aantal kinderen hebben een lijst gemaakt met voorwerpen die we nodig hebben voor het politiebureau. De eerste spullen werden al snel meegenomen en we hebben uiteindelijk een mooie themahoek kunnen maken. De kinderen zijn zelf aan de slag gegaan met het maken van een uniform, politiepet en portofoon.

Informatiegesprek voeren
De politie moet regelmatig een informatiegesprek voeren. De kinderen hebben kennis gemaakt met het begrip ‘aangifte doen’. Daarna hebben ze in tweetallen een gesprek gevoerd en informatie uitgewisseld over de mogelijke dader. Ze moesten hierbij zo nauwkeurig mogelijk een persoon vanaf een foto omschrijven. De ander mocht de foto natuurlijk niet zien.

Fantasieverhaal schrijven
Het doel van deze les was een verhaal schrijven over een dief of politieman. De weektekst ging over boef Ad die in de gevangenis zat en de kinderen van groep 3 wilden hier graag een vervolg opschrijven. Met groep 3 heb ik het verhaal samen geschreven. Groep 4 heeft het alleen gedaan, ze moesten van te voren een schrijfhulp invullen en bedenken wat de inleiding, de kern en het slot was. Daarna mochten ze het verhaal op de computer typen. Nu had ik er geen tijd voor, maar in een vervolgles zou je de kinderen hun eigen tekst kunnen laten nakijken op spellingsfouten.

Samengestelde woorden
Soms past een leerdoel niet echt bij een thema, natuurlijk mogen we het dan niet overslaan. In deze les hebben de kinderen van groep 3 samengestelde woorden gelezen en gevormd van losse kaartjes. Groep 4 moest zelf samengestelde woorden bedenken. Daarna hebben ze een woordenslang gemaakt. Het laatste deel van een samengesteld woord werd weer het eerste deel van een nieuw samengesteld woord. Best pittig nog, maar een leuke uitdaging voor groep 4.

Week 4
De kinderen hebben al veel informatie gehoord over het thema politie. Dit mogen ze deze week gaan gebruiken.

Informatie opzoeken en een informatietekst schrijven
Welke onderzoeksvragen hadden we ook al weer allemaal bedacht? De kinderen kiezen een vraag uit en gaan onder begeleiding van een extra leerkracht het antwoord opzoeken. Ze schrijven er een kort tekstje over. Het is handig om een groep 3 leerling aan een groep 4 leerling te koppelen.

Samengestelde woorden
We gaan verder oefenen met de samengestelde woorden. Groep 3 gaat nu zelf samengestelde woorden bedenken voor een maatje. Groep 4 maakt een werkblad met samengestelde woorden.

Hoofdletters schrijven en het alfabet
Een politieman moet goed kunnen speuren, groep 3 gaat vandaag speuren naar hoofdletters in tijdschriften. Alle hoofdletters worden opgezocht en op het werkblad geplakt. Groep 4 oefent met het op alfabetische volgorde leggen van de woordkaarten rondom het thema politie.

Hoe ging het alfabet ook al weer? We zingen het alfabet en doen er allerlei spelletjes mee.

Week 5
De tijd gaat snel, week 5 alweer.

Hoofdletters en zinnen opdelen
Vorige week hebben de kinderen kennisgemaakt met de hoofdletters. Welke kennen we allemaal en welke zijn nog lastig? Wanneer gebruiken we ook al weer de hoofdletters? We doen een spelletjescircuit.

Groep 4 gaat aan de slag met zinnen inkorten, wat is het belangrijkste stukje van een zin? En hoe kun je juist een zin langer maken? Natuurlijk worden de hoofdletters aan het begin van een zin niet vergeten.

Samengestelde woorden
We gaan in ons leesboek speuren naar samengestelde woorden en schrijven de woorden op. Wie is de beste speurneus? Groep 4 maakt weer een aantal cito’s.

Tegenstellingen
Deze week oefenen we ook met tegenstellingen. We spelen memorie met tegenstellingen en proberen voor elkaar een aantal tegenstellingen te bedenken. Ook gebruiken we de werkvorm mix&koppel. Ten slotte vullen we ook tegenstellingen in op een werkblad.

Lijstje maken
De kinderen bekijken een filmpje over de taken van de politie en vullen een lijstje in. Wat voor werk doet een politieagent? Het was echt een eyeopener dat het niet alleen boeven vangen is.

Week 6
De laatste week van het thema. We ronden het thema af, de taaltoets uit de methode wordt gemaakt en we gaan al een beetje aan de slag met het nieuwe thema. De oom van een leerling is politieagent en komt in de klas om al onze overige vragen te beantwoorden. We mochten zelfs allemaal even in de politieauto zitten.

In deze week hebben we veel doelen herhaald en opnieuw de leesteksten gelezen. Ook hebben we de geleerde woorden in een themaverslag verwerkt. Op de laatste dag hebben we de woordvelden er weer bij gepakt. Welke nieuwe dingen hebben we geleerd? Die begrippen komen er natuurlijk bij.

×
×

Winkelmand